Tentoonstellingsbespreking: Tinka Pittoors – “Retroactive Continuity” – IKOB, Eupen (B.)

Het IKOB te Eupen is een klein museum voor hedendaagse kunst dat in Vlaanderen nog relatief weinig gekend is. Toch bouwt het sinds ettelijke jaren aan een tamelijk interessant programma en aan een bescheiden eigen collectie waarmee het op tijd en stond van zich laat horen. Zo loopt er momenteel een ensemble van twee tentoonstellingen van respectievelijk Sylvie Macias Diaz en Tinka Pittoors. In 2011 organiseerde ik voor deze laatste een openluchtexpo in de Kruidtuin te Leuven. Later schreef ik tevens een tekst voor Pittoors’ eerste monografie.

De opstelling van het werk van Tinka Pittoors (geb. Brasschaat, 1977) op het gelijkvloers van dit Oost-Belgische instituut toont onmiskenbaar een bepaalde evolutie ten opzichte van wat we al van haar zagen in de voorbije twee jaar. Het is daarom dat ik hier even verder op wil ingaan.

Zoals ik argumenteerde in de voornoemde monografie kenmerkt haar oeuvre zich vooreerst door een synthetische werkwijze: verschillende gevonden voorwerpen en zelfvervaardigde elementen worden samen geplaatst in een constellatie die nieuwe betekenissen genereert. Dat geldt enerzijds voor haar sculpturen, anderzijds is dit ook duidelijk in haar tekeningen en schilderijen. De aangewende objecten leggen getuigenis af van de voornaamste thematische preoccupaties van de kunstenaar, te weten de typische dichotomieën tussen natuur en cultuur, tussen openheid en insluiting en tussen orde en woekering. Ze situeren zich in hoofdzaak in de sfeer van tuin- en landschapsarchitectuur en bouwwerkzaamheden. Dit algemene gegeven van de nieuwgevormde betekenis door het samen plaatsen van bestaande en geconstrueerde betekenaars of tekens bestempelt Pittoors zelf al een tijdje als beeldende neologismen. Verder gebruikt ze in dit kader ook wel eens de metafoor van een beeldend ABC.

Waar ik verder op wees, was haar opmerkelijke compositorische methodiek. Het vertrekpunt lijkt immers steevast een afgebakende zone waaruit verscheidene elementen hun eigen weg lijken te gaan. Ze overwoekeren dit vlak en nemen zelfs steeds verder delen van een ruimte in. De ervaringen van schaal en deze van ruimtelijkheid worden daarnaast nog vervormd en verstoord, bijvoorbeeld door het gebruik van strategisch geplaatste spiegels of ook door het schikken van de onderdelen van de sculptuur zodat het geheel nauwelijks in één oogopslag kan worden gevat. Deze bewuste desorganisatie is wederom ook aanwezig in het tweedimensionale werk van de kunstenaar.

Pittoors volgde onder meer een opleiding schilderkunst en heeft nooit het werk op doek en papier verlaten. De tweedimensionale media komen bij haar niet ter voorbereiding of als afgeleide van haar installaties en sculpturen tot stand, hoewel motieven en beeldopbouw in beide types regelmatig parallel lopen. Gedurende de totstandkoming van de tentoonstelling in de Leuvense botanische tuin was zij ook alweer intensief bezig met een nieuwe reeks van grafiek, onder meer dankzij enkele residenties in het daarin gespecialiseerde Frans Masereel Centrum te Kasterlee. Daarenboven toonde zij gelijklopend met die openluchtexpositie in Leuven schilderijen en grafisch werk in de Cypres Galerie in dezelfde stad, deels vervaardigd in het Masereel Centrum.

De botanique op haar beurt confronteerde de kunstenaar bovendien met het summum van tuinarchitectuur: netjes afgereden gazons, strak onderhouden plantsoentjes en een structuur die niet alleen ten dienste stond van vermaak maar evengoed van lering. In die specifieke context kon zij ten volle aan de slag met haar karakteristieke thema’s. Het meest voor de hand liggend was uiteraard het naar de hand zetten van de natuur door de mens: de natuur wordt gehybridiseerd, letterlijk gecultiveerd. Vandaar dat nepplanten, plastic buxusbollen en namaaknatuur haast alomtegenwoordig waren. Ook duidelijk was de notie van inperking – zoals “Zoning” (2011) aangaf, waarbij een stuk grond door middel van een gekantelde metalen goal werd afgebakend in een open grasveld. Deze demarcatie werd dan overwoekerd door in het atelier gefabriceerde, kronkelende epoxyvormen die inderdaad wat plantaardig aandeden alsook door afgezaagde, kunstmatige boompjes.

 

Zowat alle hierboven beschreven kenmerken van Pittoors’ oeuvre komen uitgesproken naar voor in haar huidige expositie “Retroactive Continuity” te Eupen. Meer nog: heel wat van de onderdelen van de installaties zullen worden herkend door hen die haar al langer volgen. Het is daadwerkelijk typisch voor de kunstenaar om bepaalde elementen te hergebruiken in een andere configuratie en dat wordt hier doorgedreven. Het gaat om een bewuste recyclage waardoor het oeuvre zich in een constante flux bevindt. De titel verwijst overigens rechtstreeks naar dit principe; deze term, meestal afgekort als retcon, komt namelijk uit de episodische populaire cultuur zoals televisieseries, romanreeksen of comics en duidt op het aanpassen van eerder aangegeven topics om de voortgang in de reeks te kunnen verzekeren. Zo kan bijvoorbeeld een gestorven held door een of andere wending in de volgende aflevering plots weer levend opduiken, net zoals compositorische bouwstenen bij Pittoors wederom worden gerevitaliseerd. Daarbovenop komt nog het feit dat in Eupen seriële vormen en identieke objecten in een veelvoud voorkomen, als ware het om deze idee nogmaals te versterken.

Voorbij de inkom van het museum, via de surreële setting van de grote parking van een aangrenzend warenhuis, stapt de bezoeker als het ware meteen binnen in een installatie: langs de grote glazen wand aan de voorzijde van het gebouw bevindt zich een platform op wielen met een zwart-wit tegelmotief. Dit wordt omgeven door rechtopstaande platen in diverse basiskleuren alsook door een grote houten keten van biomorfe, in elkaar geschoven platen. Een gelijkaardige, kronkelende houten klustervorm in miniatuur ligt wat verder op de vloer, net als een aantal grote, ordinaire straatlampen waarvan enkele een vaal licht uitscheiden en eentje een zacht rood.

Tinka Pittoors – “Retroactive Continuity” (2012) – Photo (c) Tinka Pittoors

Terwijl deze opstelling aan de ene zijde kort tegen het venster gepositioneerd is en aldus haast naar buiten treedt – evengoed lijkt het alsof de kiezels aan de buitenkant deel uitmaken van het geheel binnen –, wordt ze aan de aanpalende zijde begrensd door boekenschappen tegen de muur. Hier, op deze benedenverdieping tegenover de inkombalie, werd door het museum immers een bibliotheek ingericht. Een leestafel die uit de muur komt, draagt twee kartonnen kubussen waartegen de kunstenaar spiegels plaatste die het ruimtelijk inzicht reformeren.

Buiten het platformpje op wielen zijn alle onderdelen van de installatie zogenaamde hernemingen van stukken van vroegere kunstwerken van de kunstenaar maar een dejà-vu-effect creëert dit nauwelijks of niet: het naamloze werk doet fris aan. Bovendien interageert het moedwillig en raak met de eigenheid van de ruimte van het IKOB. Zowel het boekenrek als de buitenwereld achter het glas zijn geünificeerd met de installatie. Op een erg losse manier neemt het veel plaats in; het doet enigszins rommelig aan maar is onmiskenbaar een geheel.

Nier ver daarvandaan zien we wederom een dragend platform op wielen, ditmaal met een spotlamp die haar licht laat schijnen op een witglanzende sculptuur die andermaal biomorf is en een kettingsysteem representeert. Vaagweg roept het een chemisch model op met bollen van diverse groottes. Bij nader toekijken, valt op dat het rust op voeten van wijnglazen. Het is het soberste werk van de expositie; als ogenschijnlijk tegengewicht heeft de naastliggende installatie echter een visueel grote densiteit en een bovenmatige kleurenrijkdom. Toch zou men kunnen zeggen dat dit derde kunstwerk, dat feitelijk centraal in de zaal staat opgesteld, corresponderend is met het voorgaande want de kern ervan bestaat evenzo uit een rijdend plateau met daarop een witte, natuurlijk aandoende contour – ditmaal lijkend op een uitwaaierende takkenstructuur.

Tinka Pittoors – “Retroactive Continuity” (2012) – Photo (c) Tinka Pittoors

In dit geval werd evenwel een veelheid aan identieke plastic potjes op en rondom deze basis geplaatst. Het ziet er naar uit dat deze containertjes allemaal gevuld zijn met een verschillende kleurvloeistof maar in feite zijn ze leeg: er werd binnenin namelijk een laagje verf aangebracht om de indruk te wekken van volheid. Op de grond staat nog een grote doos gevuld met lege, identieke flessen in groen glas. Zeer vermeldenswaard is tenslotte de toevoeging van twee schilderdoeken die met de rug tegen elkaar zijn vastgemaakt door een spanband en rechtop tegen het rijdend draagvlak leunen; de eigenlijke beeltenis is door deze plaatsing moeilijk zichtbaar.

Een vierde werk werd alweer op identieke wijze opgebouwd, te weten met een rolwagentje waarop enkele objecten werden geschikt en met ook hier een abstracte, driedimensionale figuur in witglanzend materiaal. Het gaat om een nogal dunne, wervelende en spiraalvormige gestalte. Op het basisvlak bevinden zich verder enkele plastieken stukken fruit, willekeurig verspreid op de gele ondergrond.

Tot slot is er nog een vijfde installatie die ietwat aan het zicht is ontrokken doordat het zich verborgen houdt in een relatief eng bemeten hoek achter de metalen trap en de liftschacht van het museum. Een aantal staken met een rood-witte, groen-witte, blauw-witte en effen blauwe beschildering zijn over en op mekaar geschikt tot aan de wanden toe, als ging het om een gigantisch mikadospel. Deze dunne palen worden bij elkaar gehouden door de metalen wielbasis van weer een rolplateau en is her en der bedekt met verfrommelde doorzichtige en roze folie. Aan een kant ligt dan nog grote tuil synthetische palmbladeren en een vreemdsoortige, groene bolvorm. Het werk is zodanig geordend dat een bezoeker ternauwernood de mogelijkheid heeft om er rond te lopen; wel is het eveneens zichtbaar van op de trap en van op de bovenverdieping.

Naast deze vijf ruimtelijke stukken omvat de tentoonstelling nog een werk op papier, een ensemble van drie schilderijen en nog een apart doek. Alle horen zonder twijfel bij de betere, tweedimensionale kunstwerken die Pittoors al maakte. In vergelijking met vorig druk- of schilderwerk, is het wel flagrant dat herkenbare motieven hier afwezig zijn: de beeldentaal is veel abstracter. De kunstenaar gebruikt daarentegen veelvuldig aaneensluitende figuren, spiralen, ketens en elementen in reeksen, net zoals in de belendende installaties. Het coloriet is wel onmiskenbaar haar eigen: met afwisselend felle en zachte tonen, fluotinten en onnatuurlijk aanvoelende kleuren. Het drieluik werd in een aparte manier opgehangen met telkens één bepaalde zijde rakend. Dit werk refereert door de partijen groen, lichtblauw, grijs en zwart op een witte achtergrond en het gebruik van bollen in allerhande kleuren en afmetingen onwillekeurig aan een functionele, aardrijkskundige kaart.

 

Tinka Pittoors – “Retroactive Continuity” (2012) – Photo (c) Tinka Pittoors

Klaarblijkelijk zijn in deze tentoonstelling dus heel wat eigenheden van Pittoors’ oeuvre te zien. Daarbij zorgt precies de hoedanigheid van het eerste werk, zoals eerder beschreven, absoluut voor een zekere terugwerkende continuïteit, omwille van de vele herkenbare onderdelen. Dat de idee van aaneenschakeling ook telkenmale formeel wordt hernomen, verdiept de premisse waarvan de kunstenaar vertrok (en die in de expotitel vervat zit) des te meer. Toch komt het voor alsof zij ook een ander, bijkomend pad inslaat, een slag die reeds was ingezet met enkele werken vroeger dit jaar zoals de installatie in de Naamse kerk van Saint-Loup en in Galerie Le Triangle Blue te Stavelot. Het gaat dan met name om het expliciet behandelen van de relatie tussen tweedimensionale en driedimensionale kunst zonder daarbij tot een hybride vorm te komen maar elk type in haar bijzonderheid te laten.

De indicaties hiervoor komen meer en meer naar boven bij het volgen van een parcours van aan de eigenlijke inkom tot achteraan de zaal bij de trap. Een eerste aanwijzing ligt in enkele betrekkelijk nieuwe, aangewende materialen voor haar installaties die uitdrukkelijk verwijzen naar de schilderspraktijk. Het meest centrale kunstwerk te Eupen getuigt hiervan het meest: er zijn de mengpotjes met de suggestie van verfresidu alsook de twee afgewerkte doeken en de doos vol flessen. Er is niet veel verbeelding voor nodig om hier de restanten van arbeid in het schildersatelier in te zien.

In verband met een andere installatie – deze met de spiraalstructuur en het plastic fruit – bracht de kunstenaar een relevante anekdote op van een gesprek tussen de artistiek directeur van het IKOB Francis Feidler en een bezoeker. De eerste het had over de relatie tussen het werk en de kunst van Cézanne, waarop de gesprekspartner repliceerde met de opmerking dat het voor hem eerder over economie leek te gaan. Beide zienswijzen zijn zeker en vast valabel maar de referentie van Feidler naar de Franse klassieker is in dit opzicht significant. Denkend vanuit een kunsthistorisch perspectief doen vruchten die worden geschikt op een vlak, of dit nu op een schilderdoek of in een sculpturale vorm gebeurt, immers denken aan de traditie van het stilleven.

In beide gevallen worden in zekere zin topoi uit de kunstgeschiedenis benaderd. Het lijkt alsof Pittoors de schilderkunst en bij uitbreiding de traditionele kunst als materie neemt. Conceptueel brengt ze dit ogenschijnlijk onder in haar bekende discours van cultuur (in dit geval de zogenaamd ‘hoge’ versie ervan) versus natuur. De idee van de menselijke manipulatie waarvan zij dikwijls uitgaat, wordt hier gelezen als (een) vormgeving die uiteindelijk kunst wordt in haar persoonlijke dialectiek.

Zoals eerder aangehaald, is het om te besluiten nog opmerkenswaardig dat de recentste tekeningen en schilderijen minder figuratief zijn. Pertinent is echter wel hun composiete, synthetische aard alsook de zin voor herhaling, verbinding en het seriële. Dit bewijst hun blijvende relatie met Pittoors’ sculpturen.

Door een lange periode van geconcentreerd werken aan schilderijen, tekeningen en grafiek, kan het niet anders dat Pittoors dit deel van haar oeuvre langzaamaan anders is gaan benaderen. Ondanks het feit dat deze kunsttypes al wel hun plaats hadden, zijn er kleine accentverschuivingen in de omgang ermee. Dat is wat deze tentoonstelling in Eupen openbaart: het oeuvre zet zich voort, ontwikkelt zich verder maar toont ook dat enkele pistes nog open liggen. Tinka Pittoors heeft nu een stap gezet in een van deze richtingen door de intensifiëring van de aandacht op het tweedimensionale werk, waardoor ook de installaties een nieuwe invloed kregen. Het vraagstuk van de wisselwerking tussen beide facetten van haar werkstuk tot nog toe werd in “Retroactive Continuity” ten gronde geponeerd maar werd, zo blijkt ook, nog niet volledig opgelost. In ieder geval is dit precies omwille van dit zoekende aspect een schitterende expositie, die doet uitkijken naar Pittoors’ toekomstige arbeid.

 

Tinka Pittoors – “Retroactive Continuity” is te zien tot 28 oktober 2012 in het IKOB, Rotenberg 12B, 4700 Eupen (B.).

www.ikob.be

www.tinkapittoors.com

 

 

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s